Toen ik in 2016 bij CSW Software begon, was het in onze branche eigenlijk vrij simpel: er was
één duidelijke marktleider. Veel garages werkten er al jaren mee, nieuwe klanten kozen er
‘logisch’ voor omdat dat nu eenmaal was wat ‘iedereen’ deed, en alle alternatieven
werden aan die partij afgemeten. Niet zozeer omdat er niets anders bestond, maar gewoon
omdat de massa dat gebruikte en het pakket als compleet gold.
Die situatie bestaat niet meer.
Dat is niet van het ene op het andere moment gebeurd, het is meer een geleidelijk proces
waarbij dingen stilletjes achteruitgaan en andere partijen juist wel door blijven ontwikkelen.
Afgelopen week had ik nog een gesprek met een garagehouder die na achttien jaar eindelijk
de vraag durfde te stellen: is er niet gewoon iets beters? Hij klonk vooral moe. Niet boos of
dramatisch, maar gewoon uitgeput van die dagelijkse strijd met software die hem steeds
meer tegen lijkt te werken dan voor hem.
Ik heb dat gesprek de laatste tijd vaker, en elke keer herken ik hetzelfde patroon.
Het mechanisme herhaalt zich
We zien dit al veertig jaar in software. Een bedrijf komt met iets goeds, loopt voorop, de rest
van de markt stapt in. Dan gebeurt er iets: Er komt een punt waarop het niet meer zo snel
gaat met updates en nieuwe dingen, maar de garagewereld zelf blijft natuurlijk niet stilstaan.
Dat verschil zorgt voor steeds meer irritatie.
Wat ooit een ijzersterke positie was (veel functionaliteit, iedereen gebruikt het, een
compleet pakket) wordt riskant zodra er niet meer wordt doorontwikkeld. Vooral als
gebruikers beginnen te merken dat beloftes niet worden waargemaakt en de helpdesk
steeds lastiger te pakken is.
Vroeger was het al bijzonder als je überhaupt software had. Daarna werd het een race om
wie de meeste modules kon bieden. De verwachtingen zijn verschoven. Het gaat niet meer
om wie de meeste modules heeft, maar om wie snapt hoe een garage écht werkt en daar
software voor maakt. En op dat vlak zie je dat die oude voorsprongen ineens niet meer zo
veel waard zijn
Waar het dagelijks wringt
Het begint met kleine dingen die zich opstapelen totdat je er niet meer omheen kunt.
Neem een situatie van vorige week. Vorige week had ik iemand aan de lijn die net een
occasion had ingekocht. Hij wilde een onderdeel bestellen, had het VIN-nummer, wist
precies wat hij nodig had. Simpele actie toch? Maar nee. Hij moest eerst dat chassisnummer
opzoeken in zijn systeem, dat overtikken naar de website van de groothandel, daar inloggen
(wachtwoord kwijt natuurlijk), het onderdeel zoeken, kijken of het op voorraad is, en dan
alles weer handmatig registreren in zijn werkplaatsprogramma. Vijf minuten gezeik voor iets
dat met een fatsoenlijke koppeling één klik had moeten zijn.
Een andere garage belde me over onderhoudshistorie checken bij inkoop. Die informatie is
er gewoon — zit in databases van tientallen Europese merken — maar omdat zijn software
daar niet mee praat betekent het: drie verschillende websites openen, overal weer dat VIN-
nummer intypen, en dan zelf alles vergelijken om te zien of het klopt. Kost je makkelijk een
halfuur voor data die er al ligt.
Ik hoor dit soort verhalen inmiddels wekelijks.
De verhalen zijn eigenlijk altijd hetzelfde. Vernieuwing die wordt aangekondigd maar waar je
niks van merkt. Processen die vroeger prima liepen maar nu knellen, gewoon omdat de
wereld om je heen is veranderd terwijl je software stil is blijven staan. Een helpdesk waar je
steeds slechter doorheen komt. En veel uitleg over waarom iets niet kan, weinig meedenken
over hoe het wél zou kunnen. Een mooie reputatie uit 2015 helpt je niet als je software in
2026 je frustreert.
De cloud-paradox: vooruitgang die achteruit voelt
De afgelopen paar jaar hebben verschillende grote partijen een cloudversie uitgebracht.
Logisch — cloud is gewoon wat je tegenwoordig moet hebben.
Maar in de praktijk is er iets vreemds aan de hand.
Het rare is: die nieuwe cloudversies doen vaak minder dan het oude spul dat je al jaren
gebruikt. Dingen waar je werkproces op was ingericht zijn weg, versimpeld, of staan ‘op de
roadmap’ (wat vaak betekent: komt waarschijnlijk nooit). Voor mensen die zo’n systeem
gebruiken voelt dat totaal niet als verbetering — het voelt alsof je moet inleveren.
Ik snap wel waarom dit gebeurt, hoor. Echt goed cloudplatform neerzetten? Dat vraagt
gewoon een compleet andere aanpak dan lokale software bouwen. Niet alles kun je zomaar
één-op-één overzetten, en zeker niet als je haast hebt om ‘cloud’ op je website te kunnen
zetten.
Maar het komt neer op twee fundamenteel verschillende aanpakken: je pakt je oude
software en zet die online (klinkt modern, werkt beperkt), of je bouwt vanaf nul een
platform dat écht voor de cloud is bedoeld.
Voor de gebruiker is dat verschil meteen duidelijk. Bij de eerste benadering krijg je te horen
dat je geduld moet hebben terwijl ze langzaam functionaliteit terugbouwen. Bij de tweede
werkt het gewoon vanaf dag één zoals het hoort.
Cloud is zeker de toekomst, geen twijfel mogelijk. Mits het meer voorstelt dan gewoon
‘cloud’ op je site kunnen zetten.
Klein en lokaal: leuk totdat het niet meer werkt
Dan heb je aan de andere kant een groep hele kleine aanbieders. Pakketten met misschien
dertig, veertig klanten, vaak nog volledig lokaal geïnstalleerd. Waren prima oplossingen,
maar zijn steeds kwetsbaarder aan het worden.
Niet omdat ze slecht zijn ofzo, maar omdat ze afhankelijk blijven van lokale installaties die
handmatig onderhouden moeten worden, bijna geen mogelijkheid hebben om met moderne
systemen te integreren, en vaak heel erg leunen op één specifieke computer of zelfs één
persoon. Als die pc crasht of die persoon vertrekt, dan sta je gewoon stil.
Veel garagehouders blijven bij zo’n systeem omdat ze er aan gewend zijn geraakt. Niet
omdat ze er echt achter staan.
En dat is eigenlijk wel zonde.
Waar het nu echt om gaat
De automotive aftermarket is gewoon een ander speelveld geworden. Complexer,
krappere marges, en klanten die onmiddellijk antwoord willen en verwachten dat je
transparant bent. Goed overzicht hebben is geen "nice to have" meer, het is gewoon nodig
om te overleven.
Daarom moet software vooral dingen rustiger maken in plaats van ingewikkelder,
meegroeien in plaats van blijven hangen waar het was, en je bedrijf ondersteunen zonder te
gaan dicteren hoe je moet werken.
Of een bedrijf vroeger marktleider was zegt weinig over of hun software nu nog past. Wie te
lang aan oude keuzes vasthoudt uit gewoonte merkt vaak pas veel te laat dat de achterstand
inmiddels enorm is geworden.
Tijd om jezelf andere vragen te stellen
Als je merkt dat je vaker tegen je software aan het vechten bent dan dat je ermee werkt, dan
is het tijd om eerlijk tegen jezelf te zijn. Niet ‘wie gebruikt de meeste mensen’ maar eerder:
Welke dingen kosten me elke dag volkomen onnodig veel tijd?
Waar loop ik tegen grenzen aan die mijn concurrent waarschijnlijk niet heeft?
En — even heel eerlijk — als ik vandaag opnieuw mocht kiezen, zou ik dan echt weer voor
hetzelfde systeem gaan?
Die laatste vraag is confronterend, maar wel belangrijk.
Software die in 2015 goed genoeg was is dat echt niet vanzelfsprekend in 2026. Het
speelveld ligt weer open, en die realiteit verdient dat je er serieus naar kijkt.